ZATERDAGMIDDAG

zaterdagmiddag

De twee mannen achterin keuren me nauwelijks een blik waardig. Mijn groet blijft hangen in de ruimte. In een kroeg als ’t Molentje hoef je je als vrouw alleen geen zorgen te maken, denk ik en onderdruk een glimlach.
‘Mag ik een thee?’
‘We hebben alleen gewone.’
Knikkend neem ik plaats bij het raam.

De breedgeschouderde man aan de bar lijkt slechts aandacht te hebben voor zijn glas. Zijn afhangende schouders getuigen van een peilloze triestheid. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Zoekt hij rust? Misschien wel zichzelf. Of is dat wel heel erg psychologisch correct? En wat gaat het mij eigenlijk aan? Ik kijk weg.
Ik staar naar de poes die klaaglijk miauwend haar lijf rond de poot van een barkruk kronkelt, hoe gênant om zo openlijk naar liefde te hunkeren, maar als vanzelf wordt mijn blik weer hem toe getrokken. Zijn hoofd schijnt steeds verder omlaag te zakken. Zijn getrainde lijf toont plotseling kwetsbaar.
Vreemd, het liefst zou ik opstaan om zijn verdriet zacht weg te kussen. Verward schud ik mijn hoofd en neem een slokje van mijn veel te hete thee. Ik scheld zacht.
Hij draait zich om en kijkt me aan. De doffe blik in zijn ogen bevestigt mijn gevoel. De eenzaamheid snijdt door mijn ziel en maakt dat ik moeizaam slik.

Een windvlaag stroomt door de kroeg en in de deuropening verschijnt een blonde jongen van een jaar of twaalf, dertien. De gelijkenis tussen man en kind is treffend.
‘Papa!’ Het ventje stort zich in zijn uitgespreide armen.
De man beantwoordt de vreugdekreet met de meest tedere glimlach die ik ooit zag.
‘Gaan we hamburger eten? Of eerst naar de film?’
‘Wat jij wil, jochie,’ zegt hij zacht. Hij omhelst zijn zoon krachtig en drukt een kus op zijn rommelige haren. ‘Wat jij wil.’

*

Het verhaal Zaterdagmiddag behaalde de tweede prijs in de Nieuwe Kronkel wedstrijd (april 2017)

Advertenties